Artikel psyche – Waarom mensen voor treinen springen – verslag van zware depressie

Toen ik met mijn afstudeerscriptie bezig was kreeg ik 23 jaar oud mijn 1e zware depressie. Het was december 1998; het begin van een psychiatrisch avontuur dat 18 jaar zou duren. Het lukte in al die tijd geen enkele deskundige om vast te stellen dat ik als hoogsensitief kind uit een zeer disfunctioneel gezin aan trauma leed; een paragnoste binnen 3 minuten wel. Daarom hoop ik dat dit artikel deskundigen zal aanzetten de behandeling van patiënten te verbeteren; want hun verstandelijke benadering en medicijnen zijn niet altijd voldoende. Maar mijn verhaal is in de eerste plaats voor alle mensen die lijden of leden aan depressie; voor hun naasten én nabestaanden, want in Nederland plegen dagelijks gemiddeld 5 mensen uit pure wanhoop zelfmoord.

Depressie 1
In de herfst van 1998 was ik al hulp gaan zoeken bij een studentenpsycholoog om mijn hoofd wat op te ruimen. Ik had twee keer ’s nachts een paniekaanval gehad; een was de nacht voor ik instortte. Ik ging daarna overdag nog naar een cursus, maar ’s avonds voelde ik me ontzaglijk raar. Ik heb mijn moeder gebeld en gevraagd of ze me met de auto kon komen ophalen. Ik woonde in Amsterdam, 4-hoog achter op een kamer zonder fatsoenlijke verwarming. Het duurde lang voordat ze er was en de paniek sloeg weer toe. Eenmaal in mijn moeders flat zakte de angst na 2 uur. Toen had ik rust, maar de volgende morgen zette de zenuwinzinking door.

De week dat ik instortte was waanzinnig. Letterlijk. Ik was van het ene op het andere moment suïcidaal, wat betekent dat je enorme honger hebt in zelfmoord. Je wilt dood en wel nú. Ik weet nog dat ik mijn moeders huisarts in het weekend opbelde en zei: “Ik ben zo bang dat ik mezelf nú iets aan ga doen.” Terwijl ik bij mezelf dacht: waar haal ik dit vandaan? Het lijkt wel een Amerikaanse B-film, waarbij iemand uit een raam wil springen en een hals over kop ingevlogen psychiater op hem inpraat om het niet te doen.

De huisarts zuchtte diep en vroeg of ik al contact had gehad met mijn psychiater, maar die had ik op dat moment nog niet. Tot die tijd had ik nooit psychische problemen gehad. De studentenpsycholoog had me voor de zekerheid toch doorverwezen naar een psychotherapeut, maar daar had ik nog niet eens mee kennisgemaakt. De arts schreef me kalmerende tabletten voor en op maandag zou ik de studentenpsycholoog en de therapeute bellen.

Toen ik hen sprak konden ze eigenlijk niet veel voor me doen. Ik zat in Noordwijk; zij in Amsterdam. Doordat ik ook een flinke blaasontsteking had kon ik daar op dat moment niet naartoe. De ene dag belde ik in paniek de een, de andere dag de ander. “Het lijkt erop,” zei de studentenpsycholoog, “dat je in een crisis zit.” En zo’n crisis moet je uitzitten. Daar kan niemand iets aan doen. Niemand weet precies wat er aan de hand is, niemand weet waar het heengaat en of het nog overgaat. Je moet verdragen dat je het gevoel hebt dat je buiten jezelf staat en niet bij je eigen persoon kunt komen; net als de acute suïcidaliteit, die er continu was.

Ik kon nauwelijks lezen – iets dat ik altijd graag deed – omdat mijn concentratie ontbrak. Ik had nergens trek in, terwijl ik normaal gesproken graag eet. Ik keek films, heel veel tv. ’s Ochtends wilde ik nooit opstaan en kon alleen maar huilen. Mijn moeder – die zorgverlof had opgenomen van haar werk – trommelde me met Koffietijd van RTL 4 mijn bed uit. Herinneringen aan vroeger stormden door me heen. Soms kon ik urenlang alleen maar een intense woede ondergaan.

Mijn moeder bedacht uitjes als afleiding: bezoeken aan musea of aan mijn oom in Den Haag. Mijn broer kon ik ook elk moment bellen. De Teletubbies brachten wat vrolijkheid; mijn moeder deed ze zelfs na in de supermarkt. En de schaarse, korte telefoongesprekken met mijn Ierse vakantieliefde uit New York maakten me voor een moment blij. Om daarna weer terug te zakken in de hel.

De gesprekken met mijn psychotherapeute – een nuchtere dame met een Joodse achtergrond – waren niet afdoende. Toen ik voor de zoveelste keer bij mijn huisarts in Amsterdam zat en zei “ik schaam me ontzettend, maar ik wil alleen maar dood”, besloot hij me door te verwijzen naar een psychiater. Want het lag zeer voor de hand dat er naast de kalmerende tabletten nog meer medicatie nodig zou zijn. Ik was nog steeds bij moeder in Noordwijk. Zij reed me telkens naar Amsterdam heen en weer, want ik was op straat en alleen erg angstig.

Ik kwam terecht bij een van de vele psychiaters in Amsterdam-Zuid. Deze man begon direct over opnames in klinieken en wat jonge vrouwen in deze staat zichzelf wel niet zouden kunnen aandoen: “doodzonde”. Terwijl ik die ochtend nog rustig had zitten lezen in een biografie van Jung schoot ik nu zo ongeveer door het plafond. En als klap op de vuurpijl kwam de psychiater met de vraag: “Welke antidepressiva wilt u?” Welke antidepressiva wilde ik? Wie was hier nu de psychiater?? Ik wist daar niks vanaf. Het enige merk dat ik kende was Prozac, dus dat noemde ik dan maar. “Prima”, zei de psychiater,”op internet kunt u lezen wat de bijwerkingen zijn.” Dat wilde ik al helemaal niet doen, want dan zou ik daar zeker last van krijgen. Vervolgens zei de man dat hij op wintersport ging en duwde me een folder in handen van een kliniek in de bossen bij Hilversum, met bezoektijden.

Ik sliep die nacht niet. En dat was een van de weinige dingen die tot die tijd nog wel lukten: slapen. Ik moest nu gaan beoordelen of een opname nodig was, terwijl ik dat helemaal niet wílde. Zoals mijn therapeute zei: deze man had olie op het vuur gegooid. Toen heeft zij psychiater V. ingeseind. We waren 2 maanden verder; voor mij in deze toestand een eeuwigheid. Hij heeft mij in deze orkaan een zeer stevige hand geboden, waaraan ik me heb kunnen vasthouden om te overleven.

Psychiater V.
V. was een oude, forse, sigaren rokende professor en psychiater in Amsterdam-Zuid. Hij had een groot huis en een donkere behandelkamer annex bibliotheek: met tapijt op de grond en een portret van Freud in de kast. In de serre stond zijn stoel en die van de patiënt. De man was een blok rust, wat ik ook zei. Hij stelde slechts een paar korte vragen, waaronder: “Zit u goed waar u zit?” (bij mijn moeder). Ja, antwoordde ik. En hij voegde toe: “Laat ons (hij en mijn therapeute) maar onder de motorkap kijken. Dat hoeft u niet te doen.” Toen hij zag hoe onrustig en angstig ik op mijn stoel bewoog – ik kon niet stilzitten – merkte hij op: “Wat hebben ze in godsnaam met u gedaan?” Refererend aan mijn verleden.

We gingen verder met medicatie en therapie. Mijn therapeut en psychiater zag ik een keer in de week. De psychiater korter, omdat hij alleen toezag op de medicijnen, waar de therapeute geen verstand van had. Zij vergeleek mij met een auto waarvan de uitlaat lange tijd verstopt is geweest.

Om de tijd door te komen naaide, knutselde en tekende ik in mijn moeders flat. Ik luisterde naar muziek en keek naar programma’s over Ierland en dieren. Met mijn parttime werk in de lunchroom van de Hema in Noordwijk was ik tijdelijk gestopt, maar de directeur was erg aardig en ondersteunend. Met mijn moeder reed ik dagelijks naar het strand om naar de zee te kijken en ik ging langs bij het vogelasiel in de buurt. Ook namen we een witte kater, want ik ben dol op katten.

Als een wonder is de storm toen plotsklaps half maart gaan liggen. Ik kon niet geloven dat ik het had gehaald, dat ik er nog was. Het voelde alsof ik een nieuw leven had gekregen en ik heb dat voorjaar en die zomer ook enorm van mijn gezonde leven genoten. Muziek luisteren in het park, fietsen door de stad en op vakantie met vrienden. Ik voelde me herboren en had een enorme behoefte aan liefde. Helaas zat mijn Ierse vakantieliefde ver weg in New York en was hij ook telefonisch zo goed als onbereikbaar. Toen ben ik die zomer een affaire aangegaan waarmee ik op de lange termijn de kooi van mijn ouderlijk huis volledig zou herbouwen.

Depressie 2
In de tijd na de zomer van 1999 bouwde ik een leven op met mijn huidige ex-man en ik rondde mijn twee studies af. Ik bleef medicatie gebruiken en in therapie bij de psychotherapeute. Van psychiater V. had ik afscheid moeten nemen toen hij ziek werd. Ik kwam bij een nieuwe psychiater in Amsterdam-Zuid terecht: D. Het was een sympathieke man, maar niet zo’n rotsblok als zijn voorganger. Voor mijn eerste depressie had niemand een verklaring gegeven. Het kon zijn dat het er bij eentje bleef, maar het was mogelijk dat er meer zouden volgen.

Dat laatste gebeurde toen ik een baan had als maatschappelijk werker én besloot te gaan samenwonen. Ik had toen juist de medicatie afgebouwd, maar kon dus opnieuw beginnen. Ik klapte weer van de ene op de andere nacht in de suïcidaliteit en trok me nogmaals bij mijn moeder terug. Dit heet in vaktermen ‘in regressie gaan’, maar voor mij was een depressie anders niet te doen.

Deze inzinking was minder heftig dan de eerste – de suïcidaliteit was minder acuut – maar toch weer erg zwaar, want altijd blijft de vraag open of die weer overgaat. Ik nam medicatie en had sessies bij de psychiater en psychotherapeut. De laatste had mij als ‘zwaar geval’ eigenlijk liever naar Mentrum gestuurd. De psychiater adviseerde een assertiviteitscursus; zodat ik gemakkelijker nee kon zeggen tegen samenwonen, bijvoorbeeld. Al knutselend en tekenend heb ik de rit, die opnieuw ongeveer 4 maanden duurde, uitgezeten. Het klappen van de zweep begon ik al een beetje te kennen.

Depressie 3
De derde depressie ontstond een half jaar na de geboorte van mijn dochter, begin 2010. Ik woonde samen en ik was een maand na de geboorte van mijn dochter getrouwd. In de 1e maand van mijn zwangerschap was ik even depressief geweest, maar een ophoging van de medicatie had geholpen. Ook beviel ik op de POP-poli van het Lucas Andreas ziekenhuis in Amsterdam-West: een plek waar zwangere vrouwen met psychische problemen worden begeleid. Nadat ik kort na de bevalling nogmaals was opgenomen in het Lucas met een infectie, had de psychiater daar aanbevolen dat ik zou stoppen met borstvoeding, om een goede nachtrust te hebben. Dat was zeer belangrijk.

Desalniettemin zakte ik vanaf half februari langzaam in mijn derde depressie. Ik meldde me ziek voor mijn werk als redacteur bij Greenpeace. Als bezigheidstherapie was ik wel 4 ochtenden in de week aanwezig waarbij ik eenvoudige klusjes deed als het uitknippen van krantenartikelen uit de krant. ’s Middags had ik niks te doen en was ik alleen.

Om niet ‘in regressie te gaan’ – ik had een kind – was ik niet naar mijn moeder uitgeweken. De doodsgedachten marcheerden wel weer de hele dag door mijn hoofd. Ik probeerde te tekenen en mijn tijd door te komen met koffie drinken. Het was weer een kwelling om niet mezelf te kunnen zijn, alsof ik mezelf niet kon bereiken kon, en als een schaduw van mijn eigen persoon op mijn werk rond te lopen.

Verhuizing
Een verhuizing verergerde de depressie vele malen. Mijn ex-man en ik hadden – onder grote twijfel van mijn kant – besloten ons eigen huis vaarwel te zeggen en in hetzelfde stadsdeel een etage boven vrienden te betrekken. Die woning was groter en het stel had ook een baby, dus dat was leuk voor onze dochter die, gezien mijn depressie, waarschijnlijk enig kind zou blijven. Toen dat besluit was gevallen voelde het alsof de grond wegbrokkelde onder mijn voeten. En de depressie verminderde niet na een paar maanden, maar bleef gestadig doorgaan.

Psychiater D. was met pensioen en opgevolgd door psychiater O. Hij was zeer empathisch, maar bewoog daardoor te veel mee met mijn angst voor mijn eigen toestand. Ik besloot naar psychiater L. over te stappen, die zeer nuchter was. Maar zo nuchter dat hij mijn depressie totaal ontkende: een patiënte die niet in bed ligt, maar geagiteerd is en in elk gesprek alleen vertelt dat ze dood wil? Hij wist niet wat ik had, maar ik leek het meeste op een borderliner. Ik vertoonde immers theatraal gedrag, dacht hij. En zo belandde ik op de vrijdagochtend in een handwerklokaal van een kliniek in Den Haag, waar de overige 6 jonge mensen ook niet goed wisten wat er met hen aan de hand was.

Mijn psychotherapeute had kanker gekregen, waardoor de gesprekken met haar waren gestopt. Ik had wel begeleiding van een moeder-kind-instituut, omdat ik problemen ondervond in de band met mijn dochter. Ik vond het moeilijk om van haar te houden en eigenlijk lag het moederschap van baby’s me niet echt. Dit alles werd nog lastiger door een hoofd vol doodsgedachten. Bij mijn psychiater kon ik maar een keer per week terecht. De rest van de tijd was ik – naast mijn ochtendbezigheden bij Greenpeace – aan mezelf overgeleverd. Mijn moeder kwam een dag per week naar Amsterdam om te helpen, mijn dochter ging drie dagen naar de opvang en mijn ex-man had een ‘papa-dag’.

Mijn suïcidaliteit was niet minder geworden en mijn wanhoop ook niet. Hoewel ik aan mijn huisarts, psychiater L. en de therapeute van het moeder-kind-instituut telkens zei dat ik dood wilde greep niemand in. Het enige wat de moeder-kind-therapeute na elke sessie zei was: “Ik geloof dat ik zo meteen maar even uw psychiater moet bellen.” “Oh, die weet het al,” antwoordde ik dan doodleuk.

Ik wist intussen ook niet meer wat ik had: als ik niet depressief was, wat was ik dan? Een borderliner, psychotisch? Mijn toestand verbeterde niet – ook al ging ik fanatiek hardlopen en sporten – en de plannen om daadwerkelijk zelfmoord te plegen begonnen steeds meer vorm aan te nemen. Geloof me: als je je buiten jezelf voelt staan en van wakker worden tot slapen gaan doodshonger hebt, dan wil je er op een gegeven moment wel een eind aan maken. Ik wilde uit deze helse gevangenis, maar waar was de uitgang?!

Ik had altijd gedacht dat het makkelijk zou zijn om zelfmoord te plegen: je bent zo depressief als een deur, dus wat let je? Dat bleek niet zo eenvoudig: de wil om te leven en de angst om te sterven is zeer groot; zelfs toen in mijn staat. Moest ik medicijnen nemen? Wie zou je vinden? En stel dat je niet genoeg innam en weer wakker werd? Of in een coma belandde en later bijkwam met hersenbeschadiging? In mijn gedachten nam ik ook afscheid van mensen. Nu zag ik die en die waarschijnlijk voor het laatst. Wat zou er na de dood zijn? Zou er iets zijn? Uiteindelijk leek het mij het beste om voor een trein te springen. Dan was het in 1 forse klap zeker weten afgelopen. Nu moest ik alleen nog moed verzamelen.

Zelfmoordpoging
Eind september 2010 – na 8 maanden suïcidaal te zijn geweest – reisde ik af naar station Lelylaan. Ik heb daar 2 uur gestaan en het lukte me niet om me voor een aanstormende trein te gooien. Om half 4 had ik een afspraak met mijn huisarts en toen heb ik maar de tram teruggenomen. Bij de dokter heb ik verteld dat ik zojuist 2 uur op station Lelylaan had gestaan om voor een trein te springen. “Ah”, zei hij, “Ik moet mijn spreekuur afmaken, daarna bel ik je op.” De huisarts belde niet.

Elke dag was van ochtend tot avond een kwelling geworden: niemand die mij vertelde wat ik had en niemand die mij kon vertellen of dit ooit nog overging. Ik was ervan overtuigd geraakt dat dit niet meer overging. En dat ik waarschijnlijk psychotisch en/of schizofreen was. Het was niet te doen. Zo wilde ik niet leven. Dus de volgende dag ben ik na mijn werk bij Greenpeace nogmaals naar station Lelylaan gegaan. Daar heb ik denk ik een half uur gestaan. En toen ben ik gesprongen.

Ik kan me niet meer goed herinneren wat er gebeurde. Toen ik van het perron was gesprongen heb ik vanaf de rails nog gekeken naar de aanstormende trein, een Thalys. Ik moet zijn weggerold, want ik belandde naast de rails, terwijl de trein uit alle macht remde en langzaam tot stilstand kwam. Ik ben direct opgestaan en naar de achterkant van de trein gehold, om op het perron te klauteren. Het eerste wat ik namelijk wilde was mijn excuses aan de machinist aanbieden.

Een conductrice wenkte mij de trein binnen, op het balkon, zodat niet alle passagiers naar mij zouden kijken. Een jonge vrouw die vanaf het perron alles had gezien, was erg overstuur en riep dat ik goed voor mezelf moest zorgen. Met mij was op dat moment niks aan de hand, tenminste niet erger dan in de rest van mijn depressie. Ik was niet in paniek. Niks. Er kwamen twee agenten die de machinist gingen vragen of ik mijn excuus mocht aanbieden. Dat mocht. De man was blij dat ik nog leefde: “Neem dit geluk met beide handen aan!” Ik zag dat eerlijk gezegd anders.

De twee agenten brachten me met de auto naar het bureau van de Spoorwegpolitie op Centraal, waar ze vandaan kwamen. “U hoeft geen handboeien om, toch?”, vroeg de jongste agent. En hij voegde verbouwereerd toe: “Ik kan me niet voorstellen wat u net hebt gedaan.” Hij was aardig en net gaan samenwonen met zijn vriendin in Beverwijk. De oudere agent was koel. Op het bureau aangekomen was mijn man gebeld.

Toen hij er was hebben we een volkomen nuchter gesprek gehad over mijn poging met 4 agenten, mijn echtgenoot en een GGD-medewerker van Vangnet&Advies. De afwezigheid van emoties deed mij zeer sterk denken aan het gezin waarin ik ben opgegroeid, waar niemand ooit zijn gevoelens toonde. Met de terreur van mijn vaders agressie en de pesterijen van mijn oudere broer en zus keek ik wel beter uit dan me zo kwetsbaar op te stellen. De politie bood mijn man na het gesprek aan onze dochter bij de kinderopvang op te halen, maar dat hoefde niet voor hem. Niks aan de hand. Alsof hij in zijn gewone rol van advocaat strafrecht – zijn beroep – een cliënt had bijgestaan.

Opname
Ik keek intussen naar buiten en zag de avondschemer invallen. Ik vond het vreselijk dat mijn poging niet was gelukt. Weer kwam er een einde aan een nachtmerrie-dag, weer zou er na de nacht een nachtmerrie-dag volgen. Ik had de man van Vangnet&Advies in een afzonderlijk gesprek mijn wanhoop proberen duidelijk te maken. En er werd besloten om mij op te laten nemen op de gesloten afdeling van de Constantijn Huygenskliniek. Dit was mijn grootste angst geweest, maar nu was ik eíndelijk niet meer alleen.

Ik kan mij uit de tijd vanaf mijn opname veel dingen niet meer herinneren. Dat kan zijn door de elektroshocks die ik later kreeg of door de echte shock. Het schijnt dat ze mij in de kliniek als eerste hebben gevraagd mijn bh uit te doen, om een tweede poging te voorkomen. Dit is althans wat een vriendin mij later zei. Ik kan het me niet meer herinneren.

AMC
Dankzij mijn zus was ik in de zomer van 2010 op de wachtlijst van de AMC Depressie-poli geplaatst. Toen mijn depressie maar aanhield had ze op een gegeven moment een oom, die kinderpsychiater is, gevraagd waar in Nederland depressie het beste wordt behandeld. Zijn antwoord was: het AMC. Dit had psychiater O. nooit gesuggereerd, noch psychiater L., noch de psychotherapeute, noch mijn huisarts, noch de moeder-kind-therapeute, noch de kliniek in Den Haag. Die zomer wist ik echter zeker dat ik, tegen de tijd dat het AMC plek had, niet meer zou leven.

Maar ik leefde in oktober 2010 nog wel en ik kon terecht bij het AMC. Eindelijk kreeg ik hulp van deskundigen. Ik had overduidelijk een depressie en belandde in de C-groep: de zwaarste groep patiënten met 3 dagen in de week therapie. Ik had lotgenoten en hoefde niet meer als een wanhopige zombie rond te lopen op mijn werk. Eindelijk mensen die écht naar mij luisterden.

Elektroshocks
De depressie ging echter nog steeds niet over. Naarmate die langer duurt wordt de kans steeds groter dat die chronisch is (dus niet meer overgaat). Toen ik in mei 2011 nog steeds niet beter was, begon ik weer aan zelfmoord te denken. De artsen hebben toen besloten me met spoed op te nemen in een gesloten inrichting in Amstelveen. En ze wilden met elektroshocks beginnen: een paardenmiddel en mijn laatste kans op redding, omdat allerlei medicijnen niet waren aangeslagen. Er kan bij ECT’s (elektroconvulsietherapie) sprake zijn van geheugenverlies op de korte termijn – werd er gezegd – maar dat trekt vanzelf weer bij.

Als ik mij goed herinner heb ik een stuk of 6 keer elektroshocktherapie gehad. Je ging ’s ochtends vroeg in het AMC onder narcose en dan werd je weer wakker met een leeg hoofd. Letterlijk. Een paar uur lang zat er geen gedachte in. Ik herinner me een oudere medepatiënte die altijd een zeer apathische uitdrukking op haar gezicht had. Haar partner daarentegen was erg vrolijk.

Mijn geheugen ging haperen. Een vriendin moest mij bij haar bezoeken aan de AMC-kliniek (waar ik toen was opgenomen) meerdere keren vertellen dat ze op vakantie naar Marokko ging. Elke keer was het verhaal weer nieuw voor mij en reageerde ik verheugd. Mijn man kwam geregeld met onze dochter op bezoek, maar daar weet ik nog weinig van. Later vertelde hij dat ik op sommige visites alleen maar een uur achter elkaar herhaalde dat ik zo bang was dat het niet meer over zou gaan.

Na de depressie
Maar de depressie ging over. Begin augustus 2011 was ik na 1,5 jaar suïcidaal zijn depressie-vrij. Dankzij de shocktherapie. Er hing alleen een prijskaartje aan: ik was niet meer dezelfde persoon van voor de depressie. Er gingen geen gedachten meer door mijn hoofd. Was ik voor de depressie scherp en spitsvondig met altijd mijn mondje klaar: nu was er niks. Letterlijk niks. Stilte.

Niet meer de oude
Ik meldde me beter op mijn werk, maar functioneerde niet meer als redacteur. Teksten schrijven en redigeren ging niet meer. Bij een vergadering kon ik niks zeggen, alleen maar zitten. Ik deed mijn uiterste best en luisterde met al mijn aandacht, maar er kwam geen respons in mijn hoofd. Omdat ik 1,5 jaar ziek was geweest kreeg ik een keuring bij het UWV. Die keurden me goed. Het hoofd van mijn afdeling communicatie en de personeelschef echter niet. Ze schreven een brief van 4 kantjes tot in de details waarom ik niet meer functioneerde. Daarop kwam er een herkeuring bij het UWV, waarin ik me heb verweerd, maar ik werd voor 60 procent afgekeurd.

We gingen als gezin in oktober een week op vakantie naar Griekenland, waar Greenpeace mij mailde of ik zo snel mogelijk akkoord kon gaan met ontslag. Ik zou een geldbedrag meekrijgen, omdat ik een vast contract had, maar ik moest wel mijn gehele salaris terugbetalen vanaf het moment dat ik – met terugwerkende kracht – recht had op een WIA-uitkering. Helaas was die uitkering minder dan het salaris, dat ik natuurlijk al had uitgegeven. Maar ik was opgelucht om bij mijn werk weg te gaan. Ik werd er voortdurend geconfronteerd met wat ik niet meer kon en ooit wel gekund had. Alleen in persoonlijke gesprekjes met mensen wist ik nog wat terug te zeggen.

In het sociale leven ging het hetzelfde. Mensen benadrukten voortdurend dat ik niet meer de oude was. Als ik ze zag zeiden ze: “Het gaat goed met je. Een stuk beter dan de vorige keer.” Zag ik twee weken later dezelfde persoon, dan zei die precies hetzelfde: “Het gaat goed met je. Een stuk beter dan de vorige keer.” Dus, concludeerde ik voor mezelf, dan ging het die keer daarvoor blijkbaar ook niet goed, terwijl hij/zij toen beweerde van wel. Kennissen vroegen waar mijn sprankel en pit was gebleven. Een bevriende psychiater dacht dat het lag aan de antipsychotica, die ik van Mentrum kreeg voorgeschreven tegen te veel piekeren. Dat laatste kon immers tot een nieuwe depressie leiden.

En ik piekerde inderdaad de hele tijd: over het feit dat mijn hoofd het niet meer deed. En dat ik niet meer de persoon van vroeger was: een getalenteerde, scherpe, sprankelende vrouw. Maandenlang heb ik mijn toenmalige man verweten dat hij de schuld had aan de elektroshocktherapie, omdat hij zo nodig moest verhuizen. Ik was nog steeds wanhopig, ook al was ik niet meer depressief.

Een door lithium praktisch niet meer werkende schildklier werd door niemand opgemerkt, want ach: ze is vast nog een beetje depressief. De hoeveelheid schildklierhormoon was zodanig dat de Mentrum-psychiater mij in paniek opbelde: hier kon je als normaal persoon niet mee functioneren. De huisarts bleek vergeten de bloedspiegel te laten prikken. Dus kwamen er schildkliermedicijnen bij. Bovendien kreeg ik van de lithium de huidaandoening psoriasis, maar met medicinale gel smeren bleef dat beperkt.

Intussen vond mijn oom dat ik een gat in de lucht moest springen: mijn nieuwe leven was begonnen, want ik was niet meer depressief! In juni 2012 begon ik met een baan als huishoudelijke hulp in de thuiszorg. Niemand daar zou tegen mij opmerken dat ik niet meer de oude was; mensen kenden me immers niet. En als ik niks wist te zeggen, kon ik naar een klant luisteren.

Het bleek dat ik het werk ontzaglijk leuk vond. Het contact met alle verschillende mensen was inspirerend en leerzaam en het huishoudelijke werk stoorde me niet. Ik kon praktisch helpen en een paar uur een aangename sfeer creëren voor vaak eenzame ouderen.

Toch beter
Langzaam werd ik uiteindelijk weer de persoon die ik voor mijn depressie was. Na 4 jaar thuiszorg waren de gedachten in mijn hoofd teruggekomen. Ik was vanaf eind 2011 ook vrijwillig hoofdredacteur van een tijdschrift voor gendergeschiedenis, wat ik met veel plezier en perfectionisme deed.

De psychiaters wisten echter nog steeds niet waarom ik last van zware depressies had. Na mijn laatste depressie had ik een test bij de Constantijn Huygens-kliniek gedaan, waar was uitgekomen dat ik als persoon – buiten de depressieve episodes – volkomen normaal was. Alleen zat er “een barst in het fundament”. Wat dat dan was, wist niemand. Totdat ik in 2016 in een volgende crisis terechtkwam: burn-out en overspannen, maar zónder zware depressie. Hier zal ik in een vervolgartikel over schrijven.

Met veel dank aan de AMC-depressie-poli.
In nagedachtenis van psychiater V. en alle mensen die in wanhoop een einde aan hun leven maken.

Bellen kan met de Zelfmoordpreventielijn: 0900-0113